Deventer staat bekend om zijn oude historische binnenstad. De wirwar van middeleeuwse straatjes trekken jaarlijks massa’s bezoekers. Minder bekend is de Raambuurt, pal naast de oude binnenstad. Tot aan de jaren ’80 vormde deze wijk het hart van de Deventer industrie. Tegenwoordig bepaalt een mengeling van historisch industrieel erfgoed, oude arbeiderswoningen en nieuwbouw het straatbeeld van de Raambuurt. Bakstenen schoorstenen rijzen hier en daar hoog op naar de hemel, als herinnering aan de nijverheid die hier nog niet zo lang geleden heerste.
Ben Peeterse werd in 1955 geboren in het hart van de Raambuurt, de Bergpoortstraat, in hetzelfde huis waar ik sinds een jaar woon. Nog altijd woont hij vlakbij, om de hoek in de Raamstraat. Ik heb Ben uitgenodigd voor een kop koffie om meer te horen over het huis, de straat en de buurt, en over het leven dat hij op deze plek heeft geleid.
Ben verschijnt met een schrift vol aantekeningen en herinneringen. Hij drinkt zijn koffie en begint te vertellen hoe hij opgroeide in een katholiek gezin, in wat in de jaren ’50 en ’60 nog volop een industriële buurt was. Vader was dakdekker, moeder huisvrouw, en zijn dertien jaar oudere halfzus droeg bij aan het huishouden. ‘Zo hadden wij de eerste televisie in de straat’.
Het raam waarachter Ben het levenslicht zag kijkt uit op de fabrieksschoorsteen van de voormalige fabriek van Ten Hove, producent van veevoer. Het ketelhuis waar de stoommachine stond heeft plaatsgemaakt voor nieuwbouw, maar Ben herinnert zich de stoker goed. ‘Om 12:00 precies hing hij altijd even aan de stoomfluit. Gerrit Goorman heette hij. Als kind kwam ik er wel eens binnen. Ik moest natuurlijk heel voorzichtig zijn, maar ik luisterde goed naar de instructies, en dan hielp ik mee kolen scheppen.’
Grondstoffen voor de fabriek werden aangevoerd via het water. Kolen en melasse kwamen per trein. Het spoor ligt er nog altijd. ‘Het was een drukke straat. Naast het veevoerbedrijf had je de snoep- en zeepfabriek, twee drukkerijen en twee busbedrijven. En ook vrachtwagens reden af en aan.’
’s Zomers zaten de mensen voor het huis. Op zomeravonden speelde de vader van een vriendje accordeon op een metalen vuilnisemmer. ‘Wat voor liedjes weet ik niet meer precies, maar die man kon heel mooi spelen. Hij reed met een scooter. Dat hadden wij nog niet. Mijn vader deed alles op zijn Empo-fiets’.
Hoewel Ben als jongetje zelf naar school liep (‘later met de step, nog weer later met de fiets’), een half uur verderop in de Rivierenwijk, was zijn jeugd beschermd en de wereld klein. Op warme avonden klom hij op het dak. ‘Ik zette de gietijzeren dakraampjes helemaal los, greep mezelf bij de kant, drukte me omhoog en klom dan tegen de dakpannen op tot bij de schoorsteen. Dan keek ik naar het pand van Schepers. Voor mijn tijd was dat een ijzergieterij geweest. De mallen voor het ijzergieten hingen aan trekstangen, je kunt aan de muur nog zien waar ze hingen.’De naam Schepers staat nog altijd op de gevel.
In de buurt werd op elkaar gelet. ‘Mijn moeder had een messing trekbel, die werd elke week gepoetst. Die heb ik meegenomen toen ze hier uit het huis ging.’ ’s Winters werd as van de kolenkachel niet weggegooid, maar op de stoep gestrooid tegen gladheid.
Na de LTS ging Ben, via allerlei baantjes en opleidingen, uiteindelijk aan de slag als kraanmachinist. Hij deed het hijswerk voor onder andere de Sociale Verzekeringsbank in Deventer en het gemeentehuis in Enschede. Ben woonde op verschillende plekken in de stad, maar kwam altijd terug in de Raambuurt.
Nadat in de jaren negentig alle bedrijvigheid verdwenen was, werd de buurt flink gerenoveerd. ‘Ik heb weleens gedacht: had ik toen maar zo’n huisje gekocht’, zegt Ben. ‘Maar in alle balken zat houtworm, dat vervangen werd te kostbaar.’
Via de achterdeur, waar vroeger het tweepits petroleumstel stond, lopen we een rondje door de tuin. Ben wijst naar de bakstenen in de achtergevel, waarvan sommige er beschadigd uitzien. Kogelgaten en granaatscherven uit de Tweede Wereldoorlog, legt hij uit. ‘De Engelsen wilden de Wilhelminabrug opblazen, maar raakten de huizen hier. Honderd meter verderop werd een heel huizenblok weggevaagd door een bom.’ De brug overleefde de oorlog en was in 1977 het decor van de film A Bridge Too Far.
We verlaten de tuin via de achterpoort en lopen door de straat. Ben wijst aan waar vroeger een spoorrotonde was. Op de hoek waren achtereenvolgens een garage, een bordeel en een café gevestigd, waaraan niets zichtbaars herinnert. ‘Zie je de kinderkopjes?’ vraagt Ben. ‘Dat is allemaal gekomen met de renovatie van de buurt. Er lagen gewoon klinkers, zoals op de stoep, maar een of andere ambtenaar heeft blijkbaar bedacht dat het er authentiek uit zou zien om hier kinderkopjes te leggen. Kasseien zoals in België. Die dingen worden spekglad in de winter, en het maakt herrie als er auto’s overheen rijden.’
We staan weer voor het huis. ‘Als ik hier sta’, zegt Ben, ‘dan zou ik wel eens een dag terug willen naar die tijd. Een zorgeloze tijd. Een draagbaar radiootje had ik’, schiet hem opeens te binnen.
Positief over de wereld is Ben niet. ‘Als ik zie hoe de maatschappij is veranderd, dan vrees ik voor de jeugd.’ Hij doet zijn best om minder afhankelijk te worden van zijn telefoon, het draagbare medium van onze tijd.
Een kwartier nadat we afscheid hebben genomen staat Ben weer voor de deur, met twee kleine zwartwit-fotootjes van de Bergpoortstraat uit verschillende perioden van de vorige eeuw. ‘Had een buurvrouw voor me uitgeknipt’. Inderdaad, klinkers. In de middag vind ik in de brievenbus een handgeschreven briefje. ‘Jan. 1e Steen v/d fabriek van Ten Hove is van 1881. De huizen dateren van 1883.’
Met dank aan Ben Peeterse